Achter de microfoon rekt zwijgen de tijd
die tegen de sprekers kan worden gebruikt.
Adem benauwt de trein die bij molshoop stopt
en in de herfstwind op een perron wacht.
’t Knoopsgat scheurt de jas op buikhoogte,
stuit op het heiligbeen en vrome billen.
Ogen sperren open en verstarren; tot eeuwig
rest motregen en kilte te aanvaarden.
Morgen meer regen tot overmorgen modderstroom;
rubberlijm dicht amper de lekken in de zee,
loopt op ’t strand golfbreker terug in verder
eb ooit en zucht de meest hopeloze man wolkjes.
Afrekenen ter plekke; doof voor sommigen minder
voor anderen meer, neemt de aanleg snel zeeziek
te worden en lang en bevrijdend te kotsen weinig
tijd voor ‘t gehoor en spreker in beslag.

Recente reacties