Met haar wijsvinger en duim pakt ze mijn kin vast.
Ze vraagt me waarom ik altijd wegkijk, terwijl ze met haar grote ogen de mijne zorgvuldig inspecteert.
Ik antwoord dat ik bang ben te verdrinken in haar felblauwe ogen.
Ze knijpt hard.
Ik verbeter mezelf door te zeggen bang te zijn te verdrinken in haar felgroene ogen.
Ik vraag haar wat zij denkt te vinden in mijn ogen als ze er zo diep in staart.
‘Hoop.’
Ze trekt mijn kin omlaag en zegt het niet te kunnen zien. Ik vraag haar wat ze wel kan zien.
‘Mezelf.’
Ik pak haar kin vast met mijn wijsvinger en duim, knijp zachtjes, en vertel haar hoe het zit.
‘Jij bent mijn hoop punt.’

Twee keer moeten lezen, maar dan valt hij. Mooi.
de ogen als spiegel, mooi!