Op de zevende dag, de dag dat God rustte en niet keek, de laatste dag voor moeder boodschappen ging doen in de o zo voordelige Aldi voor de komende week, aten we kruimkokende, droog smakende aardappelen met opgewarmde vette jus en gehaktballen die vooral smaakten naar het cement van een mengsel van broodkruim, ei, zout en peper. De groente was steevast winterwortel, gesneden in lange patatten, gekookt tot ze slap en willoos waren en ontdaan van iedere smaak. Na het gebed schepten wij ons maal op zonder te klagen of iets te zeggen, en bedekten we onze maal met de gele mantel der liefde: Zaanse mosterd in een handige kroes die, als hij leeg was, dienst kon doen als drinkglas.


Recente reacties