In de bibliotheek werkte een jonge vrouw met verloren schoonheid. Je zag het aan haar oogopslag en de rammelende motoriek waarmee ze een vers diepvriesgebakje met koffie serveerde. De enige klant was ik en ze had het er maar druk mee. Een kletspraatje, over ditjes en datjes, het weer en verkeer. En al gauw kwam haar verhaal boven tafel. Dat ongeluk op de fiets. De korte coma. De man die haar verlaten had aan het ziekbed en de trouwplannen die resoluut van tafel gingen. Ze lachte dwars door haar verdriet heen en ze kon nog een zweem van trots in haar woorden laten klinken.
Ik moest vanmiddag zomaar willekeurig aan haar denken, terwijl ik een ijsje at met de kinderen.

Integer!