Starend naar de aars van de stad, trekken proppers en pooiers aan de taxiramen voorbij. De airco voert verse rioollucht uit de straatputten aan. Een crackhoer wenkt en lacht uitdagend de ruïne van haar gebit bloot. Het leven is hier zoveelste hands, dat het onverkoopbaar is. Ongegeneerd vraag ik me af hoe mensen zo stom kunnen zijn om voor deze hel te kiezen. Wat een sukkels!
Bij mijn vijfsterren hotel stap ik de zwoele avondlucht in. De manager houdt me staande. Hij herkent eenzaamheid en handelt in surrogaat gezelschap. Struikelend over zijn Engels vraagt hij: “Wilt u het menu zien?â€
Ik knik, hij laat me vijf foto’s van te jonge handelswaar zien. “Eehmm…†Ze kiezen er tenslotte zelf voor, toch?â€


@G.J. Mooi! Hoe je eerst het beeld schetst van de armoede, de gedachten die daarbij horen en dan afsluit met de ene laatste *&$#** zin. Goed gedaan.