De bomen worden al vol en zwaar, takken buigen door. Wit dwarrelen de vlokjes om hem neer. Het idylische panorama wat dit lijkt op te leveren is nep. Hij weet hoe verraderlijk het maagdelijke wit kan zijn. Er hoeft maar een geweerschot te klinken en hij zal bedolven worden onder het magische wit, wat dan vooral bitter koud zal blijken te zijn. Voorzichtig zet hij zijn sneeuwschoenen beurtelings neer, met zijn stok prikkend in het sneeuwtapijt. Hij volgt het spoor nog steeds. De afdrukken zijn nog steeds zichtbaar en worden zelfs duidelijker: hij loopt in!
Slechts even stopt hij en met zijn hand boven zijn ogen speurt hij de berg af, totdat hij hem ziet: eenzaam staand bovenop de piek


Mooi gezichtspunt.
Mooi!
Behalve ‘wit dwarrelen’.
Dank jullie.
Op wat voor manier vindt je “wit dwarrelen” niet mooi, ik wil heel duidelijk het schimmige van vallende sneeuw schetsen
Ik heb moeite met ‘wit’ als zelfstandig naamwoord. Ook vind ik die zin niet mooi omdat je wel kan aannemen dat ‘de vlokjes’ wit zijn.
‘Witte sneeuw’ is pleonasme toch? Dat vind ik verder in dit stukje niet erg, juist mooi.
@Mattie je schetst een mooi beeld, maar het zou beter geschreven kunnen worden.
– Het idylische panorama wat dit lijkt op te leveren
Na het het-woord (panorama) volgt dat, geen wat.
Het moet idyllische zijn.
Lijkt op te leveren is dubbelop, daar je ook aangeeft dat het nep is.
Je schrijft in twee zinnen na elkaar “nog steeds”. Een synoniem gebruiken zou dit kunnen voorkomen.
Drie keer wit is één of twee keer te veel.
Er zit wel een goed verhaal in het verhaal op zich.
@Lousje: in de zin “Wit dwarrelen de vlokjes (…)” is wit geen zelfstandig naamwoord, maar een bijvoeglijk naamwoord.
“Witte sneeuw” noemt men inderdaad een pleonasme, maar in dit stuk komt “witte sneeuw” niet voor.
Mattie gebruikt metaforen, een andere stijlfiguur.
Ineke, dank voor je leerzame commentaar, daar heb ik wat aan, ik zie dat ik inderdaad in dit korte stukje yte vaak hetzelfde noem.
Correctie:
De bomen worden al vol en zwaar, takken buigen door. Wit dwarrelen de vlokjes om hem neer. Het lijkt een idyllische panorama op te leveren, maar hij weet hoe verraderlijk het maagdelijke kristalveld kan zijn. Er hoeft maar een geweerschot te klinken en hij zal bedolven worden onder de magische poedersuiker, wat dan vooral bitter koud zal blijken te zijn. Voorzichtig zet hij zijn sneeuwschoenen beurtelings neer, met zijn stok prikkend in het sneeuwtapijt. Hij volgt het spoor nog steeds. De afdrukken zijn nog steeds zichtbaar en worden zelfs duidelijker: hij loopt in!
Slechts even stopt hij en met zijn hand boven zijn ogen speurt hij de berg af, totdat hij hem ziet: eenzaam staand bovenop de piek.