Maanlicht weerkaatst in ‘t ven, terwijl de eerste mist zich vormt. Vleermuizen scheren over het wateroppervlak. Een vos springt en vangt een piepende muis.
Kakbouter Wittegaiwelhoelangmennenoamis krabt onder zijn muts aan zijn kalende schedel en stoot zijn metgezel aan.
“Meester Demènneistochnetwèlangerdandejouwe, zullen we hem emanciperen?”
“Wie?”
“Nou, Jan, die muis.”
“Waarom, waarde Wittegaiwelhoelangmennenoamis? Met zo’n bescheiden naam wordt men niet oud.
“Maar hij is nog zo pril, Demènneistochnetwèlangerdandejouwe, bovendien is Jan niet zijn voor- maar zijn achternaam.”
“Oh? Wat is zijn roepnaam?”
“Meealdágeouwehoervandiepuntmutsenbenikmooigenaaid de tweede.”
“Klinkt voornaam, waarom ‘de tweede’?”
“Zijn wijlen broer heette hetzelfde. Zijn ouwelui konden zo snel niets anders concipiëren.”
“Laten we hem dan maar gezwind verlossen, voord… Waar is ie?”
Tevreden laat de vos een boertje.


Ik vond het zo op het oog een aardige lap tekst. Als snel bleek waarom. Straks verblijd je on nog met een complete roman binnen die 120 woorden…
Na het lezen van dit stukje begrijp ik in ieder geval wat beter waarom kabouters zo zeldzaam geworden zijn. 😉
@Hay Elke gimmick mag je als schrijver (minstens) één keer gebruiken. Vroeger had elk sprookje een afschrikwekkend einde waar kinderen een les van moesten leren. Met dat in gedachten heb ik dit stukje geschreven, de namen-gimmick helpt daar reuze bij 😛
Hahahaha, leuk gedaan GJ. <3
Leuk. Het wachten nu is op een 120 woorden naam.
War is een kakbouter?????
Makknen wijj tiipfaurten heer giesteren
Een tipvout die goedaffliep, een hooggeboren Kabouter
@G.J. Zo! 🙂 Die moest ik even geconcentreerd lezen. 🙂 Origineel, grappig, hartje
@GJ, mooi hoe je in de eerste regels het landschap schildert met woorden.
@Desiree & @Ineke dank jullie 🙂