De dame in ons overleg zit met het gezicht richting het raam met schitterend uitzicht op het groen van de open opvang van onze GGZ-instelling. Midden in haar betoog stopt ze en zegt: “Ik zie iets wat ik eigenlijk helemaal niet wil zien”. Wij kijken om: een cliënt staat uitgebreid en ongegeneerd tegen een boom te wateren. Glimlachend hervatten wij ons overleg. Aan het eind van de middag wandel ik richting de parkeerplaats. Van rechts komt een man op mij aanlopen en hij versnelt enigszins zijn pas: “Ik wil aangifte doen, want die vieze Marokkaan wilde mij onzedelijk betasten. De politie is snel doorgereden”. Een seconde wil ik er serieus op ingaan, maar dan herken ik hem… aan zijn jas.


Een verhaal van ‘de vieze man’
@jose hij zou het inderdaad kunnen zijn! het trieste is alleen dat we hier te maken hebben met een patient/ client.
Ik vind je verhaal wel wat hebben. De hoofdpersoon, de cliënt van je ggz-instelling blijft, althans voor mij, een beetje in nevelen gehuld, maar ik hou daar juist wel van.
@Jelle Uit je stuk maak ik op dat er één dame in het overleg zit. Tegenover haar zitten louter heren. Als ik dat visualiseer, ziet dat er vreemd uit, immers: alle heren zitten met de rug naar het raam gekeerd.
– GGZ instelling
Hier mist een koppelteken
– richting het raam, richting de parkeerplaats –
De lidwoorden zijn hier overbodig.
@ineke we waren met zijn 3-en.
Koppelteken voeg ik toe.
De overbodigheid zie ik niet. Je zegt toch ook mijn vader sprong uit het raam? Ook als ik richting vervangen zou door ‘naar’ blijven de lidwoorden.
@Jelle, die eerste zin loopt wat mij betreft helemaal niet goed. Zit met haar gezicht naar het raam gekeerd, zou kunnen.
Ik wandel richting parkeerplaats of: ik wandel in de richting van de (…)
Juister is wellicht is wandel naar de parkeerplaats.
Twee keer dezelfde constructie (met richting) in zo een kort stuk is bovendien ook niet echt mooi. Ik had je vindingrijker ingeschat 😉