Met lichte tred, licht lopend verzet, baant de wielrenner zich een weg omhoog. Cadans en hartslag zoeken elkaars ritme om in eenheid verder te gaan. Krekels, ja, duizenden, wrijven hun vleugels en zorgen voor hun eigen ritme, een ritme dat te hoog ligt als trapfrequentie voor de wielrenner, en ondanks dat toch rust brengt.
Het geluid van knarsende steentjes, deels vergruisd, deels puntig, klinkt aanvankelijk chaotisch, maar verwordt tot een ritmisch triangelspel. De wind toucheert de bomen en de struiken, wier bladeren de eerste ochtendstralen aangrijpen om zich te richten op een nieuwe dag. Vogels tjilpen dat het een lust is, sommige lijken de richting naar de top aan te geven, een geruststelling dat ik op de goede weg zit.

@couson, mooi dat auditieve in je stukje.
Mooi taalgebruik.