Winter. Ik ben tien jaar en ga schaatsen op een grote vijver, op 2 kilometer afstand van ons huis. Ik ga alleen, natuurlijk, dat is stoer. Friese doorlopertjes mee, handschoentjes, mutsje. De doorlopertjes hadden een wirwar aan vetertjes, touwtjes. Maar ik kreeg ze vast! Als een huis, met dubbele strikken. En schaatsen dat ik deed! Ik waande mij mijn grote idool Ard Schenk.
Het werd donker. Op huis aan. Ik kreeg met mijn verkleumde handjes met geen mogelijkheid de knopen en strikken los. Een wanhopig kind werd ik. Wat te doen? Uit wanhoop en inmiddels met tranen in de ogen, pakte ik mijn fiets en ben met de doorlopers nog onder de schoenen naar huis gefietst. Friese doorfietsers.

Stoer! en ook leuk geschreven.
Stoer inderdaad. Leuk stukje.
Je begint in tegenwoordige tijd, en switcht dan ineens naar verleden zijn. Eentje kiezen, zou ik zeggen 😉
@Vandenberg62 Een leuk verhaal, je zet heel goed een sfeerbeeld neer, maar …
Opmerking:
– De overdaad aan verkleinwoorden maakt dit verhaal voor mij minder aantrekkelijk.
Het gaat om een kind, dus het is zo al duidelijk dat het niet om maten voor volwassenen gaat.
Kenmerk van de doorlopers is toch ook wel dat je veel veter vast moet maken, daar lijkt vetertje dan ook erg misplaatst te zijn.