“Het komt wel goed, we waren op tijd”, zei de arts.
Als ik ’s avonds thuis aan het werk ben gaat de telefoon.
Nog voor ik antwoord voel ik misselijkheid.
“Het gaat niet goed”, hoor ik een mannenstem zeggen voordat hij vraagt of ik snel kan komen.
Ik ren naar beneden en spring op mijn fiets. Ik fiets zo snel als mijn fiets kan.
De fietsketting valt eraf. En ligt er net zo snel weer erop.
Rennen door het ziekenhuis. Met smeerhanden aangebeld bij de IC.
Rennen naar het einde van een lange gang.
Daar lig je.
Stil, te stil.
Vredig, te vredig.
Aan een draadje, dunner dan zijde.
In mijn hoofd hoor ik een stem: ‘Het komt wel goed.’

Recente reacties