Ik haal het kaartje uit de automaat en loop naar mijn auto. Zo’n tien meter verderop, waar mijn auto staat, staan twee breedgeschouderde mannen. Ze dragen blauwzwarte uniformen. Toezichthouders.
Ik groet ze vriendelijk, een fatsoenlijk gesprek is nu binnen handbereik. De kleinste van de twee gaat wijdbeens staan. Dit heeft hij vast tijdens zijn opleiding geleerd: zelfverzekerd overkomen.
‘U was zeker een kaartje aan het kopen?’
‘Dat klopt,’ zeg ik. Ik laat hem het kaartje zien.
‘Zozo.’ Hij wenkt naar zijn collega, die legt zijn hand op de rode motorkap.
‘Koud,’ grijnst de collega.
‘Maar dat is mijn auto niet,’ zeg ik, ‘die daar.’
Ik wijs naar de zwarte Alfa.
Zijn collega legt zijn hand op de zwarte motorkap: ‘Warm.’

Toezichthouders zijn mensen met autoriteitsproblemen die niet slim genoeg waren om politieagent te worden.
Great!
Stoer! leuk geschreven,ook nog.
Sorry, voorgaande reactie was bedoeld voor ander stukje,
computer haalde trucje uit.
maar evengoed is dit een leuk stukje 😉