Ik fluit als ik loop, fiets, sport, winkel of douche. Ik fluit liedjes, deuntjes, radio en televisie. Als ik mijn lippen tuit, er zachtjes mijn adem door blaas, de tonen vang en net doe alsof het allemaal heel mooi is, loop ik het liefst in een groot leeg gebouw met een goede akoestiek.
Parkeergarages lenen zich er ook voor. Stille, donkere steegjes zijn er om je angsten weg te fluiten. Lange kassa rijen, aanstekelijke deuntjes die in mijn oren vallen. Geheel onbewust en volledig automatisch maak ik ge(f)lui(t)d.
Tot een of andere onverlaat je komt vertellen hoe vrolijk je bent. Dat jij wel met het goede been uit bed gestapt moet zijn. Daar word ik chagrijnig van, dat soort gezeur.

fluit jij maar lekker door, ik blijf glimlachen.
Flierefluiter 😛
Dat maakt toch geen fluit uit?