‘Waarom rijdt u niet verder?’
‘Ziet u tramrails?’
‘Verrek, nou dat u het zegt… Tot wanneer duurt dit geintje?’
De bestuurder haalt zijn schouders op: ‘Zoals altijd wordt in de zomer alles opgebroken, maar de verwachting is dat dit nog zeker een jaar duurt.’
‘Dan kan ik wel dood en begraven zijn; lekker vooruitzicht. Hoe kom ik nu in de stad, met een bus en welke dan?’
‘Weet ik veel, ik ben trambestuurder. Als u blijft zitten breng ik u terug, het is een pendeltram geworden. Teringsaai! – zegt u het maar.’
‘Ik loop wel terug. Het is maar goed dat ik tegenwoordig twee keer zolang over de helft van de afstand doe, anders zit ik weer de hele middag thuis.’


Recente reacties