De eerste tijd reed ik vanuit “de stad” – zo dacht je het als Noorderling – langs de westkant van het kanaal naar de studentenflat, ’s avonds. Overdag nam ik de oostkant van het kanaal, omdat er een pont op aansloot (de drukte van nu was ondenkbaar in die dagen).
Toen ontdekte ik de sluis vlak bij de monding van het kanaal in het IJ. Die ontsloot de oostkant ’s avonds.
Kort daarna zag ik drie vuilniszakken dobberen tegen de sluisdeuren aan de noordkant. “Er zou net zo goed een lijk in kunnen zitten, ze zinken niet.”
Niet de volgende ochtend maar de dag daarna stond het in de krant. In stukken gehakt persoon gevonden bij de sluis van het Noord-Hollands Kanaal.


Je maakt me nu wel nieuwsgierig hoe het zou zijn geweest voor een Ooster-, Wester-, Zuider- en Tjeu La-ling?
Ik bedoelde Amsterdam-Noord
Waar ligt dat?😆
Mooie verwijzing naar het lied De Commensaal van de ongeëvenaarde Drs. P. in de titel.
“Zo’n juffrouw hoort in het kanaal, maar niet bij ons in het trapportaal.”
Als jongen uit ‘de stad’ weet ik dat ‘noorderlingen’ niet met een hoofdletter wordt geschreven. Lekker verhaaltje, André.