Het najaar verlengt de schaduw van zijn geringe postuur. De luifel verhindert dat zijn zicht door de laagstaande zon wordt ontnomen op iets wat hij nog nooit in een vrouw heeft gezien, laat staan gevonden. Als geboren flegmaticus kan hij hooguit zichzelf vertellen wat haar zo bijzonder maakt.
Hij weet niet hoelang hij daar al staat als ze zegt: ‘Binnen staan de herenschoenen.’
‘Weet ik. Ik was in de buurt en…’
‘Ah, nu zie ik het, u was hier gisteren. Zitten ze niet goed?’
‘Jawel, maar heeft u ze ook in het bruin?’
Thuis is het als thuis, het eten altijd hetzelfde, zijn schoenen zijn nooit stout en zijn vrouw is als zijn vrouw.
‘Heb je nu alweer schoenen gekocht?’


Mooi.
Zo kocht ik elke week chocola bij de stationskiosk vanwege een leuke jongen die daar werkte. Hij had natuurlijk ook minder leuke collega’s.
En in een ander studiejaar was het de jongen die ’s morgens op het station de Spits-krant uitdeelde. Nooit meer dan dank je wel gezegd.
Lousjekoesje. Haha, het blijven mooie herinneringen. Toch?
Zeker. Kan dat misschien op de 1 of andere manier gekoppeld worden aan *flegmaticuskus*?