‘Wil je een koek, knecht?’ vraagt de vrouw van de kruidenier.
‘Nee, ik houd niet van moederkoek. Daarmee doet u mij geen plezier.’
Rare jongen, maar we moeten toch eens van onze over-de-datum-winkeldochters af, denkt de vrouw van de kruidenier. ‘Waarom gaan jullie niet fietsen over de pier?’
‘Ik heb al zo’n zadelpijn,’ zegt de knecht.
‘Lopen kan ook hoor, over de pier.’
‘Moeder, u weet toch, ik heb maar één, wandelende donornier.’
‘Eén nier van een ander is geen bezwaar,’ vindt de knecht.
‘Dag knecht.’
‘Dag Albert.’
‘Zeg maar Heijn, hoor. Neem je mijn dochter mee?’
‘Ja.’
‘Dan moet je haar zelf scannen. Heb je een bonuskaart?’
‘Ja.’
‘Dan mag je nog een dochter meenemen. Dat is het lekkere…’


Winkeldochters, tot voor kort had ik er nog niet van gehoord. Het blijken er nogal wat te zijn trouwens, dus twee voor de prijs van een, dat snap ik.