Aan de muur hangt een vergeelde oorkonde met een zegel erop. ‘Scharrelvlees…’ Meer kan ik niet lezen. In een soort keuken scharrelt een gedrongen vrouw rond. Ze heeft d’r haar in een krulstaartje en een neus met opvallend grote neusgaten – o ja, ik moet mijn telefoon nog opladen.
‘Ik kom eraan.’ De wc wordt doorgetrokken, het licht gaat uit en de deur open. Zijn handen veegt hij af aan zijn jas terwijl hij vraagt: ‘Wat mag het zijn?’
‘Eh… een ons leverworst, graag. En voordat u wat vraagt, het mag gerust veel minder zijn, hoor.’
‘Mag zij een plakje worst?’ vraag ik buiten aan een vrouw met kind.
‘In vlees zitten antibiotica, meneer!’
‘Nou, dan kan het toch geen kwaad?’


Mooie woordspelingen. Moet denken aan de vrouw van de slager die lang gelee een winkel in ons dorp had. Ze haalde tig keer op een dag een verfrommelde zakdoek uit haar schort om haar neus af te vegen of te snuiten, waarna zij op haar gemakkie een onsje boterhamworst voor mij sneed. Niemand die er iets van zei. Wie weet een goede aanjager van ons immuunsysteem.
(Vraag me af of je een apple telefoon hebt. Mijn gedachten gieren uit de bocht 🙂 )
Ik sla de leverworst voorlopig over…bedankt Han!
Alice. Dank je wel. Vieze winkels kennen we allemaal wel, denk ik. Daarom kunnen we overal goed tegen. Haha.
Ik heb trouwens een Samsung.
Luc. Haha, dan neem je toch ossenworst?