‘Dan pieker ik me suf hè, en loop naar de keuken om die rottige gedachten uit mijn kop te krijgen.’
Aan de muur hangt een foto van een vrouw die ook niet al te vrolijk kijkt.
‘Die kan weg, ik kijk er toch nooit naar. Maar dan houd je een gele vlek over.’
Zijn pokdalige gezicht lijkt op een rotstekening met lijnen van verloren tijd en vergankelijkheid.
‘Maar als ik in de keuken ben, weet ik niet meer wat ik daar kom doen. Als ik daarna weer in de kamer terugkom, ben ik vergeten waaraan ik zo-even dacht. Allemaal zinloos. Daar ga ik dan weer over piekeren hè.’
‘Dan heeft het toch geholpen?’
‘Daar had ik nog niet aan gedacht.’


Aandoenlijk verhaaltje3.
Piekeren, mooi woord. Leest prima weg, Han. Grt.
Met een lichtpuntje aan het einde van het verhaal, mooi Han
Luc en Alice, hartelijk dank.