‘Twee moffen hielden hem staande in het park. Bij die voetgangersbrug, weet je. Een jongere en een oudere. Ze vorderden zijn fiets. “Hoe moet ik dan thuiskomen, lopend?” zei je vader; hij wees op zijn versleten schoenen. Toen hij weg wilde fietsen pakte de jongere soldaat zijn geweer en haalde de trekker over, maar het wapen weigerde – ketsen noemen ze dat – waarop hij opnieuw aanlegde. De oudere soldaat hield hem tegen.’
Ik ben geraakt, door een afgeketste, verdwaalde kogel. Mijn hand beeft, alsof mijn telefoon op de trilstand staat. De hand die er bijna niet was geweest.
‘Heeft hij je dat nooit verteld?’ vraagt mijn 90-jarige tante. ‘Toch wel over Lager Weserlust in Bremen?’
‘Wat hij kwijt wilde en kon.’


Laatst zag ik een programma met Debby Petter en dochter, haar Joodse moeder had ook de kampen overleefd en sprak daar pas op latere leeftijd over. Die verhalen zijn belangrijk maar ik begrijp ook dat het traumatisch is om er aan terug te denken en zodoende wordt er veel niet meer gezegd, terwijl dat misschien wel zou moeten. Met het weinige dat je hebt weet je er toch weer een leuk stuk van te maken. Knap.
Luc, dank je wel. Dit verhaal van mijn tante was nieuw voor mij. Ik ben me rot geschrokken. Leven en dood, zo dicht bij elkaar.
Mooi stukje, Han.
Dank je wel, Ewald.
Sowieso heftig, maar helemaal als het om je eigen familie gaat. Mooi beschreven.