Het waren zeven lange, maar zomerse dagen geweest. Dat wat als een droom begon, eindigde als nachtmerrie. Ze hadden geboekt in de herfst. Omdat daar de zon wel scheen. Een enkeltje geboekt naar het zonnige zuiden. Hun droomvakantie. De eerste keer. Samen. Ze zouden later wel kijken naar ticket terug. De droom was als een zeepbel geraakt door een naald uit elkaar geknapt. Ze bleek, zelfs op vakantie, capricieus. Het eten was vaak te koud, of te zout. De bedden waren te hard en het kussen te zacht. Uiteindelijk moest zelfs hij geloven aan de weeffouten in haar hoofd. Nu zat hij in een vliegtuig. Hij ging enkel terug. Onder zijn afgekloven nagels was nog een restje bloed te vinden.

@Johannes: had hij het niet kunnen voorzien, omdat ze thuis ook nogal wispelturig Ko zijn?
Mooie uitdrukking trouwens: ‘de weeffouten in haar hoofd’