Op een dag liep Marin tussen het bladerpad en de blozende bloezem door, waarbij de zon haar deed krimpen. Verward opende zij haar ogen en keek in de bruine ogen van een mannetjes mier. ‘Help mij met dragen’, zei hij alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat hij hier een klein meisje tegenkwam. Het goede karakter van Marin zorgde ervoor dat zij de mier hielp, de hele middag lang. Aan het eind van de dag dronk ze met hem een kopje thee en haar dromen wiegden haar in slaap. Toen ze wakker werd lag ze in het gras. Had ze gedroomd? In haar hand ligt een gouden armband verscholen, en een mier kriebelt weg over haar hand.


Recente reacties