Ik trek een lijn die kronkelt en hobbelt en uiteindelijk haar eigen staart opeet. Buiten de lijn kleur ik blauw, binnen de lijn geel, grijs en groen. Donkergroene rondjes en sterren en een felrode papegaai. Vanaf de rand teken ik een stippellijn met zwart. Vanaf het blauw, over het geel. Dwars door het lichtgroen naar de grens van donkergroen en grijs. Een rood kruis maakt de kaart af. Hier ben ik.
Hier hijs ik mijn vlag: een zwarte ondergrond met een gebroken witte schedel, eronder twee gekruiste beenderen. Ik graaf een kuil en kruip erin. Slapen tot ik nooit weer wakker word. Een schat gaat men hier niet vinden. De kaart, opgerold in de lege rumfles, omarmd als mijn meesterwerk.

Recente reacties