‘Thuis drink ik nooit geen alcohol. Sinds de horeca weer open zijn, ga ik weer voor de bijl.’
‘”Nooit geen”? U bedoelt nooit. En horeca is enkelvoud: de horeca is weer open.’
‘Hoe weet u dat?’
‘Dagelijks zoek ik naar de juiste spelling en grammatica. Gewoon een verslaving.’
‘Dagelijks?’
‘Ja.’
‘Dat heb ik nu met drinken in een kroeg: er gaat geen dag voorbij dat ik drink.’
‘Dan drinkt u dus niet.’
‘Wat zeg ik nou?’
‘“Er gaat geen dag voorbij dat ik drink.”’
‘O, drinkt u ook zoveel?’
‘Ik?’
‘Ja, dat zegt u toch net?’
‘Het moet zijn “dat ik niet drink”.’
‘Maar u doet het wel.’
‘Nee, ik heb het over u.’
‘O ja, uw soort ken ik…’


Recente reacties