Jasses! M ‘n handen!‘
Vet plakkerig, weeïg ruikend en schreeuwend om water… ‘Waar ik in gegrepen heb?’ Ik weet het niet. De kastdeur stond op een kier toen ik de slaapkamer binnenkwam en daar piepte een katje uit.
‘Waar dat mormel vandaan kwam?’
Geen idee!
Maar ik moest zo nodig spontaan in die kier graaien! Alsof niet over nuttiger zintuigen beschik.
Nu moet ik de deur wel helemaal opentrekken. Mijn blik wordt naar beneden gezogen. Naar de gribus die ik niet aan wil treffen.
Er ligt,… nee, leunt, schuin tegen mijn nieuwe laarzen, en dan op z’n kop, een hoofd met bloederige haren.
‘Waarom denk ik nu aan m’n penoze oom?’
Ik hijg, krijg zwabberbenen en hoop op een droom…

Je moet ook niet met je handen kijken?