Alle kinderen dromen ervan, logeren. Zijn vriendje was verhuisd uit de grote stad, hij was zo blij dat hij mocht komen logeren. Ze hadden er dieren, kippen, paarden, wombats en honden, maar het allermooiste was de grote wals, die midden in de voortuin stond.
Hij droomde ervan, wanneer hij weer boos was op iedereen die hem kwaad had aangedaan. En “plat” werd die fiets van de meester, de auto van de buurman, de school en het zwembad. Zo plat als een dubbeltje. In zijn dromen genoot hij van zijn wraak, keek iedereen naar hem op. “Pas op voor hem”, hij walst zo over je heen. Het was maar een droom, maar voor even was hij niet meer bang en alleen.

aardig stukje; ze hadden er dieren zoals kippen etc; dieren is een verzamelbegrip en is niet nevengeschikt aan de soorten dieren.