Al dagen trok de gestrande bemanning van Kapitein Mus door het oerwoud van het onbekende eiland.
Op een open vlakte troffen ze een nederzetting met rieten hutten aan. Uit de grootste kwam een grote man gestapt. Hij liep barrevoets, droeg slechts enkele bladeren rond zijn middel en had een half dozijn grote pluimen in zijn weelderige haardos steken, hij was vermoedelijk het opperhoofd van de stam. Hij stak zijn rechterhand op, ter begroeting van de zeerovers.
De zeebonken keken elkaar even aan en proestten het vervolgens uit.
“Hahaha,” lachte eerste stuurman Roodborst. “Nog nooit gezien, een man met een hoofd als een koffieplant.”
De effecten van de bladeren waar ze op kauwden was hen op dat moment nog niet gekend.


Recente reacties