Als kind nam ik altijd de onmiddellijkheid van alles aan. In een grote plas water op de stoep zag ik de hemel en de wolken weerspiegeld en dacht dan dat daar een op zichzelf bestaande wereld in te zien was. Van herhaalde waarneming en herinnering was er nog nauwelijks sprake, waardoor die onmiddellijkheid mijn realiteit was. Voor mij was er nog geen verschil tussen de ongedeelde werkelijkheid en de schijngestalten van mijn verbeelding.
Door omgevingsfactoren gaf ik deze zienswijze gaandeweg op. Ik leerde steeds beter het voorbijgaande te onderscheiden van het absolute bewustzijn.
Tegen beter weten in ga ik toch binnenkort naar de stembus, in de vermoedelijk ijdele hoop dat de uitslag de wereld van verleden en heden zal transformeren.

@Cesar: mooi beschreven ontwikkeling, een mens verliest onderweg mooie dingen. Bij de verkiezingen denk ik: ‘De verbeelding aan de macht. Alleen weet ik niet of ik met de uitkomst daarvan blij zal zijn.
@Lisette. Dank voor je reactie en voor het lezen van deze schets.
‘De verbeelding aan de macht,’ dat is lang geleden, dat ik die uitspraak hoorde.
Mei 1968 klinkt inmiddels als een eeuwigheid geleden en tegelijkertijd als een ’tijdworp’ afstand.