Mbo-studenten halen slechte cijfers voor Nederlands. Dat komt niet doordat ze voorheen leerlingen werden genoemd en studenten uitsluitend leerlingen waren van een universiteit of hogeschool, die niets anders doen dan zuipen. Ook niet omdat onderwijzers nu ineens leraren zijn.
De basis begint op de basisschool, waar de meester of de juffrouw leert of je ‘dt’ of ‘d’ moet schrijven. Daar is niets aan – niet in de zin van dat het je niet ‘boeit’, zoals men tegenwoordig pleegt te zeggen, maar dat het niet zó moeilijk is om te leren, waarvoor je tenslotte op school komt.
‘Pleegt’, zoals ik schreef, is een ouderwets woord, zegt men; er moet in spreektaal en in ‘Jip en Janneke taal’ worden geschreven. (Verkeerd geschreven: jip-en-janneketaal.)


Han, jij behoort tot een uitstervend ras en zuchtend zal jij je kennis en taalliefde het graf mee innemen. Natuurlijk is ‘jip-en-janneketaal’ de correcte schrijfwijze, maar in de jip-en-jannekepraktijk geniet ‘Jip en Janneke taal’ toch de voorkeur, hoe betreurenswaardig en foeilelijk ook.
Misschien moet je je gewoon neerleggen bij de Jip en Janneke praktijk. Paulien Cornelisse noemt het vermoedelijk: ‘Een generatiedingetje.’
Ewald. In een land van Jan en alleman, van Jantje Beton tot Jan de arbeider, maakt men zich er maar wat graag met een jantje-van-leiden van af, bro.
Voor de volledigheid, Han: Jan met de pet, Jan met de korte achternaam en Jan Slachter.
Ewald. Stom van me, maar ik ben nu eenmaal een jandoedel.
Han, in Jip en Janneke taal zou ik Jan Doedel schrijven.
Ewald. En zo ga je dus de taalmist in, jandoedel – grapje hoor. Eigennamen verstenen tot soortnamen, zelfstandige naamwoorden, en worden vaak in samenstellingen aan elkaar geschreven. Of met koppeltekens zoals bij jantje-van-leiden. Een swiebertje.
Ik weet het, Han. En ik weet ook dat jij een pietje-precies bent. Pietje Precies in Jip en Janneke taal / jip-en-janneketaal.