Waarom heeft iedereen altijd haast?, dacht Reus. Nooit staat er iemand bij mij stil. ‘Hallo, wil iemand een praatje maken?’ Veel gekraak. Verder stil. Misschien bij het hek. Reus rende. Hij wilde niet weer te laat zijn. Gekwetter. Vogel schoot de lucht in. Teleurgesteld plofte Reus tegen een boom. Eekhoorn sprong op. ‘Mag ik bij je zitten?’ Maar Eekhoorn was al weg. Reus huilde zachtjes. Plotseling geritsel. Egel keek nieuwsgierig vanachter de boom. Reus aarzelde niet. Hij greep Egel vast en sloot snel zijn hand. Voorzichtig deed hij hem weer open. ‘Heb ik je pijn gedaan?’, vroegen twee glinsterende oogjes. Reus keek naar de kleine gaatjes in zijn hand. ‘Ik ben nog nooit vastgepakt’, zei Egel. ‘Dag vriend’, zei Reus.

Ontroerend.