Er was een molenaar die liep te malen
zijn meel of zijn kolen kwam niemand betalen.
Een deel van zijn molen was ietwat beschadigd,
zijn tranende ogen zag niemand meer stralen.
De horige, poorters die eens bij hem kwamen
die kochten hun waar voortaan van een kramer,
die kocht het weer van Carola; een dame,
een Schout die het meel goedkoper kon halen.
Carola de Schout die kwam hem betalen.
Daar bood zij het goud om hem over te halen,
de molen van zijn ouders te verkopen, amen.
De molenaar snauwde: “Ik maal niet voor kramers.â€
De Schout zei hem molens te plaatsen,
die goudmijnen waren, torens met waarde.
De molenaar staarde.
“Uw molens malen lucht en verstoren de aarde.â€


Goed je weer te lezen, VmetdeVork. Je blijft bijzonder.