Reeds als twaalfjarige koorknaap was Giovanni bezeten van muziek. Zijn absolute gehoor, discipline en tomeloze enthousiasme zorgden ervoor dat hij voor zijn twintigste al organist en kapelmeester was in de basiliek van zijn geboortestad Palestrina.
Met die status en zijn immer aanwezige gulle lach veroverde hij het hart van Lucrezia, de weergaloos mooie dochter van de befaamde wijnbouwer Gori.
Giovanni was natuurlijk katholiek, niet alleen in naam maar uit volle overtuiging. Daarom waren bijna al zijn composities van geestelijke aard. Uiteindelijk schreef hij bij voorbeeld meer dan honderd missen.
Op een dag had Giovanni een madrigaal gecomponeerd waar hij zelf zo verrukt van was dat hij de slaapkamer instormde waar Lucrezia lag te bevallen. Haar ‘ah’ was de sublieme beginnoot.

Recente reacties