Na tien minuten wachten op de tram – die over vier minuten zou komen – stap ik in, groet de conducteur die pas iets terugzegt als het niet lukt om in te checken:
‘Je moet een kaartje kopen.’
‘Nee,’ zeg ik, ‘mijn bankpas is goed, het ligt aan het apparaat.’
‘Je moet een kaartje kopen,’ herhaalt hij stemverheffend als ik naar een volgend apparaat loop. ‘Blieb’, ik check moeiteloos in. ‘Zie je wel,’ zeg ik – hij zwijgt.
Een halte verder stappen drie jongens met dezelfde erfelijke lichaamskenmerken als de conducteur in; zonder in te checken. De conducteur zwijgt en kijkt naar buiten.
Vijf Amsterdammers rijden verder met de tram.
‘Amsterdam is een tolerante stad, maar discriminatie wordt niet getolereerd,’ zegt burgemeester Halsema…


Ik kan me het gedrag van de zwijgzame conducteur goed voorstellen. Niemand gaat naar zijn werk om in elkaargeslagen te worden. Vooral niet door die zeer sociale bevolkingsgroep (ze zijn namelijk nooit alleen onderweg). Let wel, ik keur het niet goed, maar begrijp het wel. Beter wordt het niet.
Luc. Nee, hier was geen sprake van een bedreigende situatie, maar van omgekeerde discriminatie: ‘Dezelfde erfelijke lichaamskenmerken als de conducteur,’ schrijf ik.