‘Kom erin, sluit snel de deur, want ik stook niet voor het trapportaal. En begin niet over het weer, mijn tijd verpest ik zelf wel.’
‘Dag tante, hoe is het met u?’
‘Dat zie je toch. Hang je jas aan de kapstok, over een stoel is armoede.’
‘Er is geen hangertje, tante.’
‘Dan hang je ‘m toch aan het lusje.’
‘Dat is stuk, tante.’
‘Hier’ – ze geeft me een oud stomerijhangertje. Haar jas met vergrijzende kraag heeft al lang geen stomerij meer bezocht.
‘Schenk de koffie maar in. En neem het schaaltje met de chocolaatjes mee. Ik heb alleen maar bitter; ik hou van puur.’
‘Ik heb oranje tompouces meegenomen, tante.’
‘Bah! En ik kan Oranje Leeuwinnen niet meer horen.’


Euh, je bent wat je eet?
Die tante hé…
@Nele. In dit geval gaat dat zeker op.