‘Hallo allemaal! Ik ben Kato Ooievaar. Jullie mogen mij juffrouw Kato noemen. Hoe heet jij?’
‘Willem.’
‘En je achternaam?’
‘Bever.’
‘Ben je op vakantie geweest, Willem?’
‘Ja, juffrouw Kato. In Frankrijk.’
‘Was het leuk?’
‘Mwaaah…’
‘Niet leuk?’
‘Ik moest aldoor huilen.’
‘Waarom?’
‘Ik miste Stoffel zo.’
‘Stoffel?’
‘Mijn schildpad. Die was thuis. Enne, enne… tante Janny zou hem verzorgen. Enne… toen gingen we eten in een heel ziek restaurant, en toen…’
‘Je bedoelt “chic”, Willem.’
‘Ja, en ik mocht niet meer huilen, en toen, en toen bestelden ze schildpaddensoep. En toen moest ik weer huilen.’
‘Hou op met janken, Willem. Het is maar een schildpad.’
‘Ja, dat zei mama ook toen we thuiskwamen en Stoffel helemaal niet op Stoffel leek…’


Recente reacties