We sluipen langs de heg aan de zijkant van het huis. ‘Ik zag iets bewegen in de woonkamer,’ fluistert Helga. Ik leg mijn vinger op mijn lippen. We horen gestommel bij de achterdeur. Ik kijk mijn vriendin strak aan. Mijn hart bonkt in mijn keel. Helga duikt weg achter mijn rug. ‘Dekken, trutje!’ Mijn rechterhand klemt zich om het koude staal in mijn jaszak. Zijn sloffende voetstappen naderen. De vriend van Helga’s moeder komt de hoek om met een vuilniszak in zijn bebloede hand. Ik spring naar voren en druk het pistool tegen zijn voorhoofd. ‘Rot op,’ schreeuwt hij. ‘Aan me hoela! Stik de moord!, sis ik. Een doffe knal. De man zakt in elkaar. ‘Tot in de pruimentijd leiperik!’

En het werd zomer, maar niet voor de boef.