De oude man zat wezenloos voor zich uit te staren. Hij was gekleed in een pofbroek en een vest versierd met brokaat. Aan zijn voeten zaten halflange laarzen en onder zijn vest droeg hij een sierlijk wit hemd.
Het haar van de man, die men Koning Steen noemde, was wit en uitgedund. Zijn ogen zagen triest.
Hij had zijn vrouw vijf jaar geleden verloren aan een korte meedogenloze ziekte. Hij had geen kinderen waaraan hij zijn koningsring kon overdragen.
De profetie vertelde dat het ook voor hem tijd was om te gaan en dat de ring zelf zijn opvolger koos.
Vermoeid liet hij de ring vallen in de waterput, ging naar zijn kamer waar hij insliep en niet meer ontwaakte.


Een mooi verhaaltje, maar in de laatste regel ben je een woordje vergeten. Misschien in de haast een ‘veelschrijver’ te worden?
Je heb natuurlijk weer gelijk, Ewald. Ik moet blijkbaar een lui oog hebben en als je dat niet gelooft vertel ik een andere uitvlucht…maar ja, je hebt gelijk. 🙂 Rudi