‘Wat is dit? Biefstuk? Salade en gebakken aardappelen met champignons en uitjes?’
‘Afblijven. Krijg ik geen zoen?’
‘Jawel hoor, kom es hier.’
‘Ho maar weer. Je hoeft me niet te wurgen.’
‘Tjonge, ik rook het buiten al. Je hebt gewoon kleur op jouw wangen.’
‘Kom, naar de kamer jij. Hier, een fles bronwater en die wijn van het aanrecht meenemen.
En gelijk de kaarsen maar aansteken.’
‘Eh … stomme vraag, ben ik iets vergeten? Vanwaar deze feestelijke maaltijd.’
‘Zo, eerst een mosterdsoepje vooraf.’
‘Hm, lekker. Maar ik vroeg je wat, en drink jij bronwater?’
‘Ja. Geen wijn meer vanaf nu. Eet smakelijk.’
‘Ja, jij ook. Wat grinnik je nou.’
‘Ik zal je wel helpen. Asjeblieft.’
‘Wat moet ik met dat stripje?’

Leuk Jan, mooi onthuld.
Maar eh, waarschijnlijk eet ze ook geen biefstuk voorlopig 😉
Haha, Inge. Inderdaad.
Dank je.
Dit is de laatste keer voorlopig.