Het is warm buiten.
Het is veel te warm.
Daarom doe ik, tegen mijn zin, luchtige kleding aan.
Ik moet wel.
Ik wil niet.
Het is te warm voor een jas.
Te warm voor een muts
Ik vervloek deze dag.
Ik moet eropuit.
In deze kleren kan ik me niet vertonen.
Geen jas om me achter te verbergen.
Geen muts om me onder te verstoppen.
Ik moet het doen met een zonnebril.
Ik moet het doen met naar de grond turen.
Ik moet het doen met naar mijn mobiel turen.
Naar alles turen behalve mensen.
Om mensen heen turen.
Ze zien me.
Ze kijken naar me.
Want iedereen haat me.
Ik haat iedereen keihard terug.
Was het maar vast winter.


Nu ben ik een zomermens, maar dit vind ik ijskoud leuk.