Doe jij het of doe ik het?
Ik doe het.
Wacht, ik help je!
Niet zoveel, idioot! Een halve theelepel is genoeg!
Weet je het zeker?
Ja, ik heb gelezen hoe het werkt, deze hoeveelheid moet het hem wel doen. Zijn keel zal opzwellen en zijn luchtpijp afknijpen.
Ik geef hem het bord wel. Vergeet je niet om het goed door de hutspot te scheppen? Hij moet het niet proeven, want als hij het ontdekt…
Psssst! In de keuken.
Doet het zijn werk?
Hij geniet van de hutspot.
Volgens mij heeft het effect op zijn ademhaling.
Heb je het gat in de tuin al klaar?
Ja.
Hij heeft het over zichzelf afgeroepen, weet je, de mosterd. Hij verdiend niet beter.

Altijd leuk, een moordcomplotje. Vraag me hier wel af wat hij op zijn geweten heeft om dit te verdienen.
In de laatste zin ‘Hij verdiend’ > ‘Hij verdient’.
Alle aanhalingstekens expres weggelaten?
Dank je Inge, wat stom van die spelfout! Fijn dat je mij erop wijst. In mijn enthousiasme over het hoofd gezien. Hoop dat ze het mij willen vergeven! 🙂 Ik heb de aanhalingstekens overigens bewust weggelaten.