Zijden sjaaltjes, keurig en kleurig, netjes, doch losjes in de kraag van de blouse. Zo parmant, zo zinloos en zo treurig, een vertoon van machteloos melancholie. Speciaal voor iemand die wil vasthouden aan zijn lang verloren jeugd.
Een verwijzing naar de tijd dat hij een grote rode zakdoek, met lucifersdoos als knoop, om zijn nek droeg. “Handsjup!” riep, naar een willekeurig slachtoffer. Inmiddels was zijn vriendje doorzeefd, met wel honderdduizend van Tim Tatoe’s bruine bonen.
Nu schiet hij met arrogantie, afstandelijkheid en voornaam doen. En natuurlijk, zorgvuldig gedrapeerd om de rimpels van zijn nek, een keurig zijden sjaaltje, die droomt van de prairie, waar hij mag schieten, met wel honderdduizend bruine bonen.
Precies zo’n zijden sjaaltje, zou mij prima staan.


Mart Smeets?