Ik staar in de vlammen, die telkens weer proberen zo hoog mogelijk te reiken, maar weer worden teruggetrokken naar hun oorsprong. Onvermoeibaar blijven ze oplaaien. Van geel tot knalrood kleurend van inspanning. Er is geen vlammetje bij dat het opgeeft. Een rilling trekt over mijn rug. Ik leg mijn hand tegen mijn gloeiende gezicht. Hoe lang zit ik hier al? Hoe lang is hij al weg?
Steeds meer vlammen geven hun eeuwige strijd op en sterven een stille dood. De laatste gloeiende puntjes houden wanhopig vast aan de zwartgeblakerde resten. Ik wacht tot het laatste lichtpuntje dooft. Nog steeds blijf ik zitten. Pas als ook mijn gezicht niet meer gloeit, hijs ik me met een zucht overeind. Het is koud.


mooi! Zelf zou ik niet schrijven dat ik mijn hand tegen mijn gezicht leg. Eerder tegen mijn gezicht houd of op mijn gezicht leg…
Dank je johan!
wilde ‘vurig’ graag nog een keer lezen. Blijft mooi. Bij tweede lezing viel me de eerste zin van de tweede alinea op: wanneer vlammen eenmaal een stille dood zijn gestorven, was hun strijd blijkbaar niet eeuwig 😉
Scherp Johan. Ik had het eerlijk gezegd ook al gezien. Misschien levenslang? Maar dat klinkt niet zo lekker als ‘eeuwige strijd’ 😉