Twee mooie dames zwoegen op het gravel van Roland Garros. Het is de vierde ronde. Een Russische, wier naam eindigt op ‘Pova’ en een Tsjechische met een naam die eindigt op ‘Lova’, strijden om de winst.
Mooie dames die niet alleen hun talent, maar ook hun vrouwelijkheid in het spel gooien. Alsof ze zich een beetje inhouden, om vooral mooi te blijven tijdens de match.
Hoe bereiden mooie dames zich voor op een tenniswedstrijd? Benen glad scheren en kreetjes oefenen? Springen en kijken of het slipje goed blijft zitten? En het sportbehaatje? Blijf alles op zijn plaats?
Mijn speekselklieren worden overactief. Er valt een drupje kwijl naast mijn toetsenbord. Ik vraag me af of ik een ouwe viespeuk geworden ben.


En je vraagt je niet af hoe voetballers hun zaakje bij elkaar houden? 😉
Liever niet :-s
Dan is er een antwoord op dat wat je je afvraagt 😉
Het risico van een verhaal in de ik-vorm is, dat de schrijver wordt vereenzelvigd met de protagonist. Dit laatste moeten we niet doen. Het gaat om een verhaal, fictie, om een zelfstandig kunstwerk. Als zodanig kan ik het verhaal waarderen. Het toetsenbord van de schrijver bleef clean, maar die van de seksistische protagonist liep het risico van kortsluiting.
Ik vind een verhaal in de ik-vorm schrijven prettig omdat dat mijn inlevingsvermogen versterkt. Een Dr. Jekyll and Mr. Hyde gevoel.
Snap ik. De ik-vorm komt vaak meer direct aan bij de lezer. Maar waarom kies je als protagonist steeds hetzelfde type: een ietwat verongelijkte man van middelbare leeftijd die de wereld vanaf zijn sofa beschouwt. Je zou ook eens kunnen kiezen voor het perspectief van het ballenmeisje dat haar idolen in actie ziet. Dat kan in de ik-vorm, maar ook in de derde persoon. “Met jaloezie keek Evelien vanaf de zijlijn naar het gespierde lijf van Lova…”, etc. Even een andere invalshoek, al was het maar om te voorkomen dat de lezer gaat denken dat hij enkel met een dagboekje te maken heeft.
Akkoord.