Er hangt een ding voor zijn raam. De heer Vreeswijk is bezorgd dat bij een windvlaag ‘dat ding’ door zijn raam vliegt.
‘Met de heer Vreeswijk. Er zwaait een ding voor mijn raam…’
‘Gewoon terugzwaaien. Grapje. Wat voor ding, meneer Krooswijk?’
‘Een ding aan een ketting. En staak uw grappen; zeer ongepast voor een ambtenaar! De naam is trouwens Vreeswijk.’
‘Dat moet een kubel zijn en die is…’
‘Ik word helemaal iebel van die kubel.’
‘Heeft u afgelopen maand ook al niet gebeld over hondengeblaf, spelende kinderen, ratelende rollators, seksgeluiden…?’
‘Seksgeluiden?’
‘O nee, dat was een klacht over u.’
‘Over mij? Ik ben alleenstaand!’
‘Een week geleden.’
‘Toen was ik zelfs op vakantie. Nicht Alida logeerde… Ik weet voldoende. Goedemiddag.’


Recente reacties