“Wat kan ik u te drinken inschenken, reiziger?’
De Engelsman keek bedachtzaam naar de herbergier.
“Heeft u wellicht een bijzondere en sterke streekdrank voor mij, heer? Ik ben op doorreis en wil zo veel mogelijk streekspecialiteiten proeven.”
“Zeker, zeker, ik heb wel wat, ik breng het u direct.”
Het uitzicht vanaf het zonnige terras was niet bijzonder.
Aan de overkant van de straat stond een kleine grijswitte kerk.
De lange reis vanaf Boedapest was haast voorbij wist de jonge advocaat.
“Alstublieft, heer. Een Bandse tuica. Hij is een beetje sterk, maar wel gemaakt van de beste Transsylvanische appels.”
“Bandse tuica?”
“Jazeker, deze plaats heet Band. Mijn broer heeft de tuica gestookt. De appels komen uit de boomgaard van de graaf.”


Bedankt voor dit stuk waar ik heel veel van leer.
Het strookt met de wereld die ik fantaseer.
De Tuicǎ moet wachten voor twee dagen lang.
En Tepes die maakt me voorlopig niet bang.
kijk deze lezer kent zijn klassiekers.
En het strookt met de gedachten van de Stoker.
🙂
Jammer van die drie beschrijverige en daardoor nogal saaie zinnen na het eerste stukje dialoog. Ik begrijp dat daar wat passende hints in verborgen zijn, maar het leest in deze vorm niet lekker, vind ik.
grappig archaïsch taalgebruik; is dat bewust gedaan?