‘Dat zij zich laat natregenen?’
‘Anton, heb je haar al een handdoek gegeven?’
‘De handdoeken van oma durf ik niet te geven. Wat eten dit soort mensen, Tine? Vast geen stamppot.’
‘Breng haar deze kom en dat tafellaken en je haar zit goed.’
‘Ik durf geen laken en soep te geven. Ze heeft trouwens van die kleerkasten mee.’
’Voor hen maak ik natuurlijk ook wat. Elk mens dat zich koud voelt, wil graag soep.’
‘Ja, maar Zwolse soep?’
‘Uit oma’s kookboekje. Met echte buikspek erin voor de vulling. Ik zal ook gluhwijn met kaneel maken.’
‘Alstublieft mevrouw, uw verse mosterdsoep.’
‘Oh fijn, een handdoek iets warms te eten. Erg prettig dat u zich niet laat meeslepen. U doet zo gewoon.’

Een komma vergeten na de laatste keer ‘handdoek’. Wel leuk.