“Jesjoea! Kom, we gaan naar huis.”
“Wacht, mama, ik kom al.”
“Ik was je kwijt. Waar zat je al die tijd?”
“Ik ben naar de synagoge gegaan. Maar ik mocht niet naar binnen, ik ben te klein.”
“Ja, je bent pas zeven.”
“Het is niet leuk om klein te zijn.”
“O nee, vind je dat echt? Hier, wacht, moet je kijken. Zie je dit korreltje in mijn hand? Dat is een mosterdzaadje. Het is nu heel klein, maar als ik het in de grond stop en geduldig wacht, dan komt er een enorme plant uit. Een plant die zó groot is dat de vogels erin kunnen schuilen.”
“Mmm. Dus iets kleins kan héél groot worden.”
“Precies, jongen, zo is het.”

Mooie moeder-zoon dialoog!