‘Bij de groten is dat anders.’
Hij kijkt me spottend aan. In zijn ogen smeult een vuur van haat.
‘Luister!’
Ik hoor metalige geluiden: een bezemsteel in een zinken emmer. Iemand krijgt een schop. “Zo jongen, en nu graven maar!” hoor ik in de verte. Broeder Hadrianus misschien…
‘Jij zal eens moeten leren!’
Hij schreeuwt het in mijn oor en ik keer terug naar het hier en nu. Voor mij staat de hoofdmeester.
De refter is leeg, de ramen staan open. In gedachten drijf ik op een vlot, kabbelend de rivier af. Langs de oever staan mensen te zwaaien; ik hoor de bomen ruisen en dan: een waterval!
‘Vrijdagavond ga jij niet naar huis!’
Beukende woorden vellen het jonge berkje.

@Berio, een goed stuk en goed geschreven. Een klein puntje m.b.t. de eerste zin: eerst de punt, dan aanhalingsteken sluiten. Zie: http://taaladvies.net/taal/adv.....ingsteken/
Dank je wel Ineke, aangepast bij deze.
Goed stuk. Ook refter goed gekozen. Ik was dit woord bijna vergeten.