Onder de blauwe koepel van de polder vaart haar klompje langs de weiden, de punter op het water kijkt ernaar onder het genot van een kikkerconcert. Wilgen botten uit de knot; het lover, bevend op een briesje, biedt de zwetende punter beschutting voor de zon.
De boom plonst in en uit het slootwater op het loom kabbelend ritme van de dag.
Langs de oever ligt het meisje, haar en rokken gespreid over gras en hooi. Ze glimlacht tevreden naar de wolkenkastelen. Haar lenteverlangen is gestild in het lommerrijk aan de voet van de dijk. Ze wast de modder van haar voeten: in en uit het slootwater, op het lome ritme van haar geluk.
De ooievaar, geduldig, kijkt haar afwachtend aan.


Recente reacties