Herbert liep in een val, net zoals andere leden van de ondergrondse verzetsbeweging. Hij had nooit duidelijk begrepen waarom men de beweging “ondergronds” noemde, want zij bleef bovengronds, in leegstaande huizen waaruit de bewoners waren ontzet of in nieuw opgetrokken kantoorgebouwen die nog niet in gebruik waren genomen door Ministeries. Er werden vergaderingen gehouden om aanslagen voor te bereiden op doelwitten van de Staat. Als er aanslagen werden uitgevoerd, gebeurde dat bovengronds. “Ondergronds” was een dichterlijke expressie om aan te duiden dat het heimelijk was. Het raakte hem niet echt. Herbert had nooit veel gevoel gehad voor poëzie. Poëzie bestond trouwens niet meer omdat die allang geleden een prozaische dood was gestorven. Het MC (Ministerie van Cultuur) had daarvoor gezorgd.

Die uitleg over hoe Herbert over ondergronds of bovengronds denkt, vind ik wat overdreven. Daar zit hem toch niet vooral de dystopie in? Hoe en waarom de staat individuen onderdrukt, lijkt me interessanter.